Als je kind buikpijn krijgt van school: wanneer het lichaam vertelt wat een kind nog niet kan zeggen

Soms begint een schooljaar al vóórdat het begonnen is.

Het is de doorschuifmiddag vlak voor de zomervakantie. Een kind maakt kennis met zijn nieuwe leerkracht en het nieuwe lokaal. Spannend natuurlijk, maar ook leuk. Bij het verlaten van het lokaal maakt hij een grapje. Niet om vervelend te doen of bewust een grens op te zoeken. Hij wil eigenlijk maar één ding: dat zijn nieuwe leerkracht hem leuk en aardig vindt.

Het grapje valt verkeerd en hij moet meteen nablijven.

Voor een ander kind is dat misschien een vervelend moment dat na een middag grotendeels verdwenen is. Voor dit kind niet. Hij neemt het mee naar huis en vervolgens de hele zomervakantie in. Hij moppert over de leerkracht en heeft weinig zin om na de vakantie naar school te gaan. Het moment lijkt zich ergens in hem te hebben vastgezet.

Bij een hoogsensitief kind kan zo’n ervaring langer doorwerken dan je aan de buitenkant verwacht. Dat is belangrijk om te begrijpen: de grootte van een gebeurtenis aan de buitenkant zegt niet automatisch iets over de impact ervan aan de binnenkant. Hoogsensitiviteit, in wetenschappelijk onderzoek Sensory Processing Sensitivity genoemd, hangt onder andere samen met het opmerken van subtiele informatie en een diepgaande verwerking daarvan. Een hoogsensitief kind kan daardoor langer nadenken over een gebeurtenis, allerlei details meenemen en betekenis proberen te geven aan wat er gebeurde.

Waar een volwassene misschien denkt: Joh, dat was een klein incident. Nieuwe ronde, nieuwe kansen, kan het hoofd van een gevoelig kind nog bezig zijn met heel andere vragen: Vindt de leerkracht mij nu vervelend? Heb ik iets fout gedaan? Wat vindt diegene van mij? Wordt er weer boos op mij gereageerd als ik iets verkeerd doe? Ben ik hier eigenlijk wel oké?

Hard werken om aardig gevonden te worden

Na de zomervakantie gebeurt er iets interessants. Het kind gaat niet openlijk de strijd aan en weigert ook niet naar school te gaan. Integendeel: hij gaat juist harder zijn best doen. Hij wil graag dat zijn leerkracht hem aardig vindt. Wanneer er bij een supermarkt een verzamelactie loopt, gaat hij zelfs sparen voor de kinderen van de leerkracht.

Lief, zou je op het eerste gezicht kunnen denken. En natuurlijk kán dat gewoon een aardig gebaar zijn. Maar zijn moeder ziet hoeveel energie erin gaat zitten en hoe belangrijk het voor hem wordt. Alsof er iets hersteld moet worden wat tijdens die eerste kennismaking is misgegaan.

Uiteindelijk zegt moeder: Het is genoeg.

Niet omdat aardig zijn verkeerd is, maar omdat er verschil bestaat tussen iets voor iemand doen vanuit plezier en verbinding en hard gaan werken om je ervan te verzekeren dat iemand jou oké vindt. Want onder dat laatste kan iets heel anders zitten: Als ik maar lief genoeg ben, als ik goed mijn best doe, als ik iets voor de ander doe… dan vindt diegene mij misschien wél aardig.

Dat is voor een kind hard werken.

Wanneer een hoogsensitief kind spanning op school ervaart

Een leerkracht kan een prima leerkracht zijn en een kind kan zich tóch niet helemaal veilig bij diegene voelen. Die twee werkelijkheden kunnen naast elkaar bestaan.

Misschien kijkt de leerkracht geconcentreerd en ervaart het kind die blik als boos. Misschien is de manier van communiceren wat directer. Misschien wordt gedrag op een heel normale manier gecorrigeerd, maar komt dat bij dit kind harder binnen. Het gaat dan niet meteen over goed of fout, maar over afstemming.

Voor een hoogsensitief kind bestaat een klas bovendien niet alleen uit de les die wordt gegeven. Het registreert mogelijk ook gezichtsuitdrukkingen, stemgebruik, blikken, bewegingen, spanning tussen kinderen, geluiden op de gang, een stoel die schuift, iemand die zucht en zelfs de geur van koffie uit de mond van de leerkracht wanneer die dichtbij iets uitlegt.

Die koffiegeur lijkt misschien een onbenullig detail, maar juist zulke details laten zien wat volwassenen gemakkelijk missen. Een kind beleeft niet alleen wat een leerkracht zegt. Het neemt veel meer informatie uit de hele omgeving mee. En wanneer het ondertussen al alert is op de vraag ‘vindt deze leerkracht mij wel aardig?’, kunnen kleine signalen extra betekenis krijgen. Een frons is dan niet zomaar een frons. Het brein gaat interpreteren.

En dan is het zondag…

Een paar weken later krijgt het kind op zondag flinke buikpijn en koorts. Op andere momenten uit de spanning zich ook lichamelijk: hij misselijk naar bed. De volgende ochtend is de koorts verdwenen, maar de buikpijn niet. Zijn moeder meldt hem ziek.

Een half uur later gebeurt er iets opvallends: hij voelt zich aanzienlijk beter.

Hij kruipt bij zijn moeder op de bank en ze knuffelen. Geen kruisverhoor en geen ‘maar waarom wil je dan niet naar school?’ Zijn moeder sluit bij hem aan en ze praten. Langzaam wordt duidelijk hoeveel spanning school en de relatie met de leerkracht hem geven.

Buikpijn en misselijkheid bij kinderen kunnen samengaan met spanning of angst rond school. Dat betekent niet dat de pijn ingebeeld is; lichamelijke stressreacties zijn echt. Ons lichaam en ons stresssysteem staan niet los van elkaar. Tegelijkertijd is het belangrijk om lichamelijke klachten ook lichamelijk serieus te nemen. Zeker wanneer klachten terugkeren, ernstig zijn of samengaan met andere klachten zoals koorts, is het niet verstandig om automatisch te concluderen dat stress de oorzaak is.

En dan doet het kind iets wat ik misschien wel het mooiste beeld van dit verhaal vind.

Hij bouwt een hut op de bank. Kussens erbij, dekentje erover. Een kleine cocon. Zijn eigen veilige plek.

We hoeven natuurlijk niet iedere hut die een kind bouwt psychologisch te analyseren. Kinderen bouwen nu eenmaal hutten. Maar binnen dit verhaal is het een treffend beeld. Na weken van waarnemen, aanpassen, zijn best doen, alert zijn en proberen de relatie ‘goed’ te krijgen, creëert hij thuis een omgeving waarin even niets van hem hoeft.

Klein. Overzichtelijk. Beschut. Dicht bij zijn moeder. Veilig.

Kijk niet alleen naar gedrag, maar naar wat erachter kan zitten

Dit is waarom ik ouders uitnodig om achter gedrag te kijken. Een kind dat moppert over een leerkracht kan brutaal lijken. Een kind dat extra hard zijn best doet kan voorbeeldig lijken. Een kind dat voortdurend aardig gevonden wil worden kan heel sociaal lijken. Een kind met buikpijn kan simpelweg ziek zijn.

Maar wanneer je de losse puzzelstukjes naast elkaar legt, kan er soms een ander verhaal zichtbaar worden.

Misschien is het mopperen een manier om afstand te creëren van iemand die spannend voelt. Misschien is het extra behulpzaam zijn een poging om de relatie te herstellen. Misschien is het harde werken geen ontspannen motivatie, maar aanpassen. Misschien vertellen de buikpijn en misselijkheid óók iets over spanning. En misschien zoekt dat kind thuis precies wat zijn systeem op dat moment nodig heeft: minder prikkels, nabijheid, begrenzing en veiligheid.

Geen van die conclusies kun je trekken uit één gedraging. Het patroon en de context vertellen het verhaal.

En dat betekent ook niet dat we een hoogsensitief kind tegen iedere correctie, teleurstelling of spanning moeten beschermen. Een kind mag juist leren dat iets verkeerd doen niet betekent dat jíj verkeerd bent. Dat een leerkracht een keer streng of boos kan zijn zonder dat de relatie daarmee verloren is. En dat je niet voortdurend iets voor een ander hoeft te doen om aardig gevonden te worden.

Maar om dat te kunnen leren, moeten volwassenen eerst begrijpen wat er in het kind gebeurt.

Daar ligt wat mij betreft een gezamenlijke taak voor ouders én school. Niet: de leerkracht moet veranderen. Ook niet: het kind moet zich maar aanpassen. Maar samen nieuwsgierig worden: wat maakt dat dit kind zich hier zo alert voelt? Wat neemt het waar? Wat heeft de leerkracht bedoeld? Welke betekenis heeft het kind daaraan gegeven? En welke nieuwe ervaringen kunnen helpen om de relatie weer veilig te laten voelen?

Juist dat laatste is belangrijk. Gevoeligheid betekent niet alleen dat moeilijke ervaringen harder kunnen binnenkomen. Onderzoek naar environmental sensitivity laat ook zien dat gevoelige kinderen sterker kunnen profiteren van positieve en ondersteunende omgevingen. Dat betekent dat kleine positieve ervaringen óók veel gewicht kunnen krijgen.

Misschien is daarom niet alleen de vraag waarom een kind niet gewoon kan wennen belangrijk, maar vooral:

Wat heeft dit kind nodig om opnieuw te ervaren dat het bij deze leerkracht veilig, gezien en oké is — zonder daar zo hard voor te hoeven werken?

Soms begint dat niet met een groot plan. Soms begint het bij een ouder die naast een kind op de bank gaat zitten, een arm om hem heen slaat en niet alleen naar de buikpijn kijkt, maar luistert naar het verhaal erachter.

Want soms vertelt gedrag al een heel verhaal. We moeten alleen bereid zijn erachter te kijken.

En wat kan een leerkracht hierin betekenen?
In mijn volgende blog deel ik praktische tips waarmee kleine momenten van afstemming een groot verschil kunnen maken voor een hoogsensitief kind in de klas.